De huid en de ademhaling van de kikker

huid van de kikker
De huid van de kikker is dun, vochtig en bevat veel bloedvaten. Kikkers drinken en halen adem door de huid. Ze slikken geen water door, alle water dat ze nodig hebben krijgen ze binnen door de huid. Alhoewel kikkers longen hebben zijn ze, als ze onder water zijn, afhankelijk van de extra zuurstof die ze via de huid absorberen.

Kikkers moeten hun huid vochtig houden, anders kan de zuurstof er niet gemakkelijk doorheen. De kikkerhuid heeft slijmklieren die daarbij helpen. Ondanks dat droogt de huid toch snel uit en dat is de reden waarom ze meestal in de buurt van water verblijven. Voor nood kan de kikker gebruik maken van de dauw of kan hij zich ingraven in vochtige grond.

De opperhuid heeft een zeer dunne hoornlaag, die regelmatig vervelt. Het proces begint met een heleboel draaien, rekken en schuren om de oude huid los te maken. Dan trekt hij de huid als het ware als een trui uit over zijn kop en meestal eet hij hem dan op. Ook de lederhuid is dun en bevat veel bloedvaten. In de huid liggen ook gifklieren. Ze scheiden een gif af dat het slijmvlies in de bek van de aanvaller kan irriteren.


In het maandblad Quest van november 2004 staat een opmerkelijk artikel over een kikker met een wel erg ruime huid:

kikker met veel vel Denk niet dat het ruime vel van deze reuzenkikker voor de show is. Het dier leeft in het 3800 meter hoog gelegen Titicameer, op de grens tussen Peru en Bolivia. Daar is relatief veel schadelijke ultraviolette straling en weinig zuurstof. Het vel van het dier is zijn evolutionaire antwoord. Want danzij de enorme huidflappen neemt hij veel zuurstof uit het water op, en wordt hij niet zo vaak aan de straling boven water blootgesteld. Toch gaat het slecht met het roofdier, dat de wetenschappelijke naam Telmatobius culeus kreeg, 'aquatisch scrotum'. In 1973 waren er nog miljoenen kikkers, tot 50 centimer lang en 1 kilo zwaar. Maar nu zijn ze bijna verdewenen.